VOEDING

Als je paard ouder wordt, vooral vanaf de leeftijd van 18 jaar, vinden er grote veranderingen plaats in het lichaam die invloed hebben op de voedingsbehoefte. De vertering gaat langzamer en ook is de opname van voeding vaak moeilijker doordat het gebit slechter wordt. Op de Paardenkamp is in de afgelopen decennia veel ervaring opgedaan met het voeden van oudere paarden. De kennis groeit nog steeds en we zijn nog dagelijks bezig met het vinden van een optimaal voermanagement voor oudere paarden.

Wat verandert er bij het ouder worden?

Paarden hebben vooral behoefte aan vezels, het maag-darm kanaal moet daar helemaal mee gevuld zijn. In een ideale situatie zouden ze zestien uur per dag moeten eten, lopen, eten, lopen. Fermentatie van ruwvoer in de darmen voorziet in de belangrijkste voedingsbehoefte. Als er veel krachtvoer wordt gevoerd dan wordt in de relatief kleine maag veel maagzuur aangemaakt wat de kans op maagzweren vergroot. Door veel vezels te eten wordt veel speeksel aangemaakt dat het maagzuur neutraliseert.

Het percentage ruwvoer waar oudere paarden behoefte aan hebben is hoger dan voor jongere paarden. Omdat jonge paarden meer energie verbruiken, kunnen jonge paarden toe met 60-80% ruwvoer, bij oudere paarden is dat minstens 80-90%.

Oudere paarden kunnen soms minder voer opnemen dus zijn de eisen aan wat ze wel opnemen veel hoger. Zo hebben oudere paarden behoefte aan meer eiwit in hun voeding. Het is dan ook belangrijk om goed te letten op de samenstelling en kwaliteit van het ruwvoer en daarnaast bij te voeren wat nog nodig is. Omdat de darmen ook ouder worden en het gebit minder optimaal werkt, ontstaan er problemen met de vertering en opname van eiwitten en fosfor. Suiker en zetmeel worden heel snel opgenomen en geven gemakkelijk stofwisselingsstoornissen waar oudere paarden zeer gevoelig voor zijn.

Het gebit speelt een bepalende rol bij de voedselopname. Doordat het gebit slecht wordt kunnen oudere paarden niet meer de hoeveelheid ruwvoer die ze nodig hebben naar binnen krijgen met daarbij het noodzakelijke speeksel. Dan gaan ze er proppen maken en laten die uit hun mond vallen. 60% van de paarden boven de 20 jaar heeft afwijkingen aan het gebit. Er is slijtage en er ontstaan pijnlijke vlijmscherpe haken op de kiezen die in de wang of tong prikken. Er ontstaan grote ruimtes tussen de tanden en kiezen waar rottende etensresten achterblijven en tanden en kiezen vallen uit. Er treedt een vicieuze cirkel op als paarden hierdoor minder gaan eten.

Wat eten de paarden van De Paardenkamp?

Voeding voor oudere paarden moet eiwitrijk zijn. Toevoeging van bacteriën (probiotica) die de fermentatie in de darmen stimuleren heeft op De Paardenkamp goed gewerkt. Om ziektes als PPID en hoefbevangenheid zoveel mogelijk te voorkomen krijgen de paarden zo min mogelijk suiker en zetmeel in hun voedsel.

Ruwvoer is het hoofdbestanddeel van het voer. Het percentage wisselt per paard afhankelijk van wat hij/zij maximaal op kan nemen. Zolang het kan bestaat het ruwvoer uit gras. Het ruwvoer komt bijna helemaal van ons eigen land. Door de jaren heen is er veel geïnvesteerd in het graslandbeheer. Een belangrijke verbetering was de overschakeling naar een graszaadmengsel dat speciaal voor paarden is. Daar groeit gras uit dat een hoog ruwvezel en eiwitgehalte heeft en een laag percentage suikers, in het bijzonder de fructanen. Dit gras wordt ook ingekuild voor de paarden die op stal staan. Maar ook dit stevige gras is voor een deel van de oudjes moeilijk te kauwen. Daarom wordt voor hen het gras bij een speciaal bedrijf gedroogd en gehakseld. De kortere stengels zijn gemakkelijker weg te kauwen.

Naast gras krijgen de paarden op De Paardenkamp, naar gelang hun conditie en kauwmogelijkheden bietenpulp bijgevoerd. Het kan ook nodig zijn om krachtvoer (brokken, biks) bij te voeren. De Paardenkamp gebruikt krachtvoer voor oudere paarden dat in samenwerking met een paardenvoerproducent is ontwikkeld. Deze brokken worden al dan niet natgemaakt en gemengd met zemelen.

Gebit bepaalt voeding en verzorging

Het gebit speelt een bepalende rol bij de opname van voedsel. Daarom wordt op De Paardenkamp veel aandacht besteed aan de verzorging van het gebit. Alle bewoners worden in ieder geval één maal per jaar door de paardentandarts behandeld. Het gebit bepaalt op De Paardenkamp voor een belangrijk deel welk soort verzorging het paard krijgt:

  • De paarden met betere gebitten kunnen in de zomer in het weiland en in de winter in de groepshuisvesting verblijven waar ze gras en kuilgras krijgen.
  • Paarden die kampen met kauwproblemen staan ‘s avonds in individuele stallen en krijgen naast kuilgras meestal gedroogd, gehakseld gras en een mengsel natgemaakte brokken gevoerd.
  • De echte problematische eters verblijven het hele jaar ’s avonds in individuele stallen en krijgen gedroogd, gehakseld gras, mengsel natgemaakt krachtvoer en zemelen en bietenpulp.

Nu al beginnen met 5 Gouden regels

‘Beter voorkomen dan genezen’ is de allerbelangrijkste regel voor het verzorgen van je paard. Al ruim voordat je paard 18 jaar moet je al maatregelen treffen om op latere leeftijd minder voedingsproblemen te krijgen. Voeding van je paard blijft een individuele zaak, er kunnen per paard altijd verschillen zijn maar als het gaat om ouder wordende paarden dan zijn er in ieder geval ‘Vijf gouden regels’ te geven.

5 Gouden voedingsregels

1. Minstens 1 x per jaar de paardentandarts naar het gebit laten kijken

2. Voeding bestaat voor 60-99% uit eiwitrijk ruwvoer van de juiste kwaliteit

3. Minimaal krachtvoer en zo min mogelijk suikers en zetmeel

4. Te dik zijn voorkomen

5. Voeding aanpassen aan de mogelijkheden van het paard: opname van ruwvoer vergemakkelijken door gras kort te maken, brokken nat te maken en/of bietenpulp te geven