Het belang van de Body Condition Score

10/01/2019 (19.30 - 21.00)

Op 10 januari gaf Anneke Hallebeek een lezing over de Body Condition Score. Hieronder vind je een verslag hiervan:

Een eenvoudig en duidelijk ‘body condition score’ (BCS)-systeem plus bijpassend advies voor rantsoen of training door de dierenarts, kan een bijdrage leveren aan de bestrijding van overgewicht bij paarden en de daarmee samenhangende problemen zoals hoefbevangenheid.

De ‘body condition score’ (BCS) is een praktisch hulpmiddel om de voedingstoestand van het paard te beoordelen en te monitoren. Het uitvoeren van de score vraagt kennis over de locaties waar het paard vetreserves opslaat en ervaring in de beoordeling hiervan. De uitslag van de BCS moet aangeven wat de eigenaar moet doen, bijvoorbeeld het rantsoen en/of de training aanpassen. Volgens verschillende studies in diverse landen leidt 30 tot 50 procent van de paarden aan overgewicht. De toename in aantal van paarden met overgewicht en daarmee het risico op hoefbevangenheid laat de noodzaak zien van goede voorlichting aan paardeneigenaren. Paardeneigenaren hebben vaak een verkeerd beeld van de gewenste lichamelijke conditie van hun paard.

Voeren op het oog

Het voeren van paarden gebeurt bijna altijd op het oog of op gevoel. Zelden gaat er een rantsoenberekening aan vooraf. Door te kijken naar het paard vormt de paardenhouder een oordeel over de voedingstoestand, oftewel de hoeveelheid vetreserves. Deze beoordeling noemen we ‘body condition score’ (BCS).  Het sterk stijgende aantal paarden met overgewicht suggereert dat het ‘oog van de meester’ tegenwoordig minder nauwkeurig is of verkeerd is geijkt. Het correct uitvoeren en interpreteren van de ‘body condition score’ is blijkbaar geen vanzelfsprekende vaardigheid meer van elke paardenhouder. Dierenartsen zijn beter in staat een betrouwbare BCS uit te voeren dan eigenaren en kunnen paardenhouders van dienst zijn door dit een vast onderdeel van de gezondheidsscreening of bedrijfsbegeleiding van paardenbedrijven te maken. Overigens krijg je met het regelmatig uitvoeren van een BCS niet alleen overgewicht in beeld, maar ook (ernstige) vermagering.

Een paard met obesitas heeft een sterk verhoogd risico op gezondheidsproblemen, waarvan hoefbevangenheid de belangrijkste is. Een te dik paard weer op goed gewicht krijgen, is niet eenvoudig en duurt lang. Door tijdig het rantsoen bij te stellen of de oorzaak van vermagering op te sporen voorkom je spierafbraak en weerstandsvermindering.

Preventie overgewicht

Degene die voert, moet het rantsoen regelmatig aanpassen, waarbij de energiebehoefte van het paard leidend is. Zowel de energieopname als het -verbruik veranderen immers continu. Het ruwvoer is veranderlijk, de hoeveelheid krachtvoer kan wisselen, de training varieert. De grootte van het paard (lichaamsgewicht omgerekend naar metabool gewicht, kg 0,75) is basis voor de onderhoudsbehoefte aan energie. Samen met een extra energietoeslag, afhankelijk van de intensiteit en duur van de training, dracht, melkproductie of groei bepaalt dit de totale energiebehoefte.

BCS bepalen: achtergrond

Een goed uitgevoerde BCS beoordeelt het héle paard op zichtbare en voelbare vetbedekking. Bij opname van teveel energie neemt de vetmassa toe. De vetopslag gebeurt voor een deel in de buik en voor een deel onder de huid. De vetreserve in de buik is niet goed te beoordelen. Een ronde buik kan veel vetopslag betekenen, maar komt ook voor bij fokmerries met ongetrainde buikspieren. Door de onderhuidse vetopslag te beoordelen, is het onderscheid tussen deze situaties wel te maken. Een paard met veel vetopslag ín de buik heeft ook veel vet onder de huid. Op een aantal locaties accumuleert onderhuids vet. Deze locaties zijn de nek, de schoft, achter de ellenboog, de ribben, de lendenen en bij de staartwortel. Systemen om de BCS te bepalen, beschrijven de zichtbare veranderingen, zonder de exacte vethoeveelheid aan te geven. De BCS is in principe een goede graadmeter voor de totale vetmassa van het paard. Het schatten van het vetpercentage bij paarden met een lagere BCS is echter nauwkeuriger dan bij paarden met een hoge BCS doordat bij een stijgende BCS de totale hoeveelheid vetweefsel exponentieel stijgt. Bij pony’s met overgewicht en vergelijkbare BCS-beoordeling, kan de hoeveelheid lichaamsvet variëren van 13 procent tot 30,5 procent van het lichaamsgewicht. Vanaf een vetmassa van meer dan 20 procent spreekt men van obesitas. De BCS geeft niet perse uitsluitsel of het paard obesitas heeft of ‘slechts’ overgewicht. Obesitas wordt gedefinieerd als overmatige vetopslag die leidt tot problemen met de gezondheid en het functioneren van het lichaam en is geassocieerd met insulineresistentie en een pro-inflammatoire situatie. Ervan uitgaande dat obesitas een situatie is waarbij pathologische veranderingen optreden, zou een goede scheidslijn handig zijn. Studies naar het bepalen van de exacte vetmassa aan het levende paard door middel van morfometrische studies, echoscopie van het onderhuidse vet, bio-elektrische impedantieanalyse en de deuteriumoxide verdunningstechniek laten zien dat er (in de toekomst) meer mogelijk is. Tot op heden zijn deze methoden echter onvoldoende gevalideerd of nog niet toepasbaar in de praktijk. Spieropbouw is niet alleen afhankelijk van de energie- en eiwitvoorziening met het rantsoen maar ook van een gerichte training. Naast het voelen naar de onderhuidse vetlaag kan ook de bespiering worden beoordeeld.

BCS-systemen: de situatie

Wereldwijd zijn in de loop der tijd meerdere BCS-systemen ontwikkeld en in gebruik genomen. Het BCS-systeem met negen categorieën, ontwikkeld voor onderzoeksdoeleinden, is beschreven door Henneke et al. Een praktische aanpassing hiervan bevat vijf categorieën, maar wordt soms ook gebruikt met zes categorieën. In deze systemen worden de zes eerder genoemde locaties beoordeeld die per score staan beschreven. Elke locatie krijgt een score en samen bepalen deze het gemiddelde. Bij een heel eenvoudig systeem met drie categorieën staat het normaalbeeld centraal en wijst een afwijking naar boven op teveel vetopslag en een afwijking naar beneden op vermagering. Het geeft verder geen gradaties in de ernst van de afwijkingen. Carter et al. Gebruiken enkel de vetophoping in de manenkam (‘cresty neck’) als maatstaf voor de BCS (score 0 tot 5). Zowel het enkel scoren van de nek, als het middelen van de scores per locatie is geen betrouwbare weergave van de werkelijke conditie. Bij verandering van BCS veranderen de vetophopingen namelijk niet gelijkmatig. Dit volgt een bepaald patroon dat specifiek kan zijn voor ras, leeftijd en individu. De nadelen van de genoemde BCS-systemen liggen vooral in de onduidelijkheid over en door de hoeveelheid categorieën die gebruikt worden. En daarmee is ook de score die het ideale beeld weergeeft, telkens anders. Tot op heden werden in de paardenhouderij verschillende BCS-systemen gebruikt, voor uiteenlopende doeleinden. Het vijf-puntensysteem volgens Hallebeek (onder andere Paardsignalen*, Sanéqui Body Condition Score**) maakt opgang in de praktijk bij paardenhouders en practici. Ook dit systeem is gebaseerd op het systeem van Henneke et al.

Vijf-puntenscore met ‘0’ als ideaal

Een praktisch BCS-systeem is een managementhulpmiddel en dient ertoe diegenen die verantwoordelijk zijn voor de verzorging van het paard, te helpen bij het afstemmen van de voeding op de energiebehoefte. Een goede paardenhouder heeft daar maar drie BCS-categorieën voor nodig: te mager, goed, te vet. Maar om in de praktijk bij alle situaties de juiste acties te kunnen aangeven, is een systeem met vijf categorieën optimaal:

  • conditiescore is té extreem (gezondheid paard is in het geding): behoeft drastische actie;
  • conditiescore is niet optimaal: beoordeel of aanpassen van het rantsoen of bewegingsschema direct noodzakelijk is;
  • conditiescore is optimaal.

Wetende dat de conditiescore te hoog en te laag kan zijn, kom je hiermee dus uit op vijf categorieën. Vervolgens heeft een systeem waarbij het voor de gebruiker direct duidelijk is wat de score betekent en welke score optimaal is, veruit de voorkeur boven een systeem waarbij je als dierenarts telkens moet uitleggen welke score de gewenste score is en wat de gegeven score dus betekent. Dit pleit er voor 0 (nul) tot de gewenste score te maken, te lage BCS aan te geven met een minteken (-) en te hoge scores aan te geven met een plusteken (+). Als je deze logische redenatie volgt, ontstaat een BCS-schema met vijf categorieën, dat loopt van -2 (zeer mager), -1 (te mager), via 0 (optimaal), naar +1 (overgewicht) en +2 (ernstig overgewicht).

Basisregels gezond paardenrantsoen

  • Geef nooit minder dan 1 kilogram droge stof ruwvoer per 100 kilogram lichaamsgewicht per dag.
  • Geef een paard maximaal 2 kilo krachtvoer en een pony maximaal 1 kilo krachtvoer per voerbeurt.
  • Laat paarden en pony’s niet langer dan zes tot acht uur zonder eten staan.
  • Geef per dag niet meer kilogram krachtvoer dan kilogram ruwvoer.

Uitvoeren van de Body Condition Score = kijken en voelen

Aangezien bespiering deel uitmaakt van de zichtbare veranderingen, is het essentieel dat de beoordelaar het verschil tussen spier- of vetweefsel voelt om een goed beeld van de hoeveelheid vet te krijgen. Spierweefsel voelt harder aan dan vetweefsel. Alleen in de manenkam voelt het vet niet zacht maar hard aan. De uiteindelijke score is het resultaat van de vormen van het paard en de (subjectieve) gradatie van de voelbare hoeveelheid onderhuids vet.

  1. Beoordeel het hele paard rondom op vorm en verhoudingen. Bij een toename van vet neemt het paard rondere vormen aan. Heeft het paard zeer veel vetopslag, dan lijken de benen in verhouding met de romp kort vanwege de vetopslag in de buik. Door de brede nek kan het hoofd kleiner lijken. Vermagering geeft een hoekig beeld met duidelijke verdwijning van spierweefsel.
  2. Kijk en voel op de zes locaties naar de vetbedekking onder de huid: de nek, de schoft, achter de ellenboog, de ribben, de lendenen en bij de staartwortel. Beoordeel of er geen, weinig of veel vet is. Let op het volgende:
  • Beoordeel de dikte van de nek door je hand als een schuifmaat over de manenkam te leggen. De breedte van de manenkam kan variëren van 2 tot 3 centimeter (score -1 tot -2) tot wel 8 tot 10 centimeter (score +2). Veel vetopslag maakt de manenkam breed, hard en stug.
  • Achter de ellenboog is in de meeste gevallen vet voelbaar, tenzij het paard (sterk) vermagerd is.
  • Bij een paard in normale conditie zijn de ribben direct voelbaar onder de huid zonder dat ze zichtbaar zijn. Alles wat je met een lichte palpatie moet indrukken om de ribben te bereiken, is vet.
  • Bij de staartwortel is altijd wat vet voelbaar, tenzij het paard sterk vermagerd is.

Het resultaat

Score 0:
paard is in optimale conditie Heeft het paard score 0 dan is de energieopname de afgelopen periode goed in overeenstemming geweest met het energieverbruik. Onvermijdelijke rantsoenwijzigingen, zoals weidegang in de zomer of een nieuwe partij hooi in de winter, dwingen eigenaar en dierenarts alert te blijven en de BCS minimaal elke twee tot drie maanden te herhalen.

Score -1 of +1: paard is licht vermagerd of iets te dik
Bespreek bij de scores +1 of -1 met de eigenaar wat de oorzaak kan zijn, om naar aanleiding daarvan te besluiten of training of rantsoen wel of niet bijgesteld moet worden. Is het paard bijvoorbeeld herstellende van een ziekte dan is een lichte mate van vermagering acceptabel, zolang de eetlust van het paard goed is en het rantsoen voldoende energie levert om de vermagering te laten herstellen. Voor een oud paard is BCS -1 vaak het hoogst haalbare, ondanks een aangepast rantsoen om de vertering en de energieopname zo optimaal mogelijk te maken. Heeft een paard op rust gestaan vanwege een blessure en kan de training weer worden opgepakt, dan is een lichte mate van overgewicht verklaarbaar. Een fokmerrie heeft in een positieve energiebalans meer kans om drachtig te worden dan in een negatieve energiebalans. Een score van +1 wil je in dat geval niet direct terugbrengen naar 0. In al deze gevallen is controle van de BCS na zes weken aan te raden om te controleren of de vermagering of vervetting niet doorzet.

Score -2: ernstige vermagering
Zelden is een paard sterk vermagerd zonder lichamelijke afwijkingen, uitzondering zijn de laagsten in rangorde van een groep paarden. Te weinig voer geven is in de meeste gevallen echter niet de enige oorzaak. Vandaar dat in deze situatie vervolgonderzoek nodig is. Naar aanleiding daarvan kan het rantsoen op maat worden aangepast, naast een eventuele andere behandeling. Zijn geen specifieke oorzaken voor vermagering gevonden, dan kan geleidelijk de opname aan energie en eiwit worden verhoogd, met behoud van de basisregels voor een gezond paardenrantsoen.

Score +2: overgewicht of obesitas
Een score + 2 wijst op ernstig overgewicht. Of er sprake is van obesitas, is niet zeker. Gezien het risico op insulineresistentie en hoefbevangenheid is score +2 voldoende reden om het paard op een vermageringsdieet te zetten.

Gewicht schatten

Het gewicht schatten van paarden is nodig om de energiebehoefte en de minimaal te voeren hoeveelheid ruwvoer te kunnen bepalen. In het geval van vermagering en overgewicht is het ideale of gewenste gewicht uitgangspunt voor het samenstellen van het rantsoen en niet het huidige gewicht. Schatten van het ideale gewicht gebeurt op basis van schofthoogte, ras en bouw van het paard. Het verschil door over- of onderconditie bepaalt het werkelijke gewicht. Een speciaal geijkt meetlint geeft het huidige gewicht aan, afhankelijk van de borstomvang. Dit is voor veel rassen een redelijk betrouwbare methode, maar kan bij kleine of grote paarden afwijken.

 

Bron: Tijdschrift voor Diergeneeskunde

 

Er zijn nog 5 plaatsen beschikbaar.

  • Vul hier 1, 2, 3 of 4